Oude molenaar vertelt

U bevindt zich hier: Thuus » Oude molenaar vertelt

Arend Uiterwijkwinkel vertelt

De stelling was er van afgeknapt.

“In januari 1954 nam ik ‘de zaak’, molen en diervoeders, over van Jan Ab Jansen die naar Amerika emigreerde. Ik was geen molenaar en heb nog één week samen met hem gewerkt om het vak wat onder de knie te krijgen. De molen draaide op een dieselmotor en was erg verwaarloosd. Eigenlijk was het een ruïne er was ook geen stelling meer. Deze was er afgeknapt terwijl Jan Ab er nog op stond, hij was met stelling en al naar beneden gevallen. Gelukkig is het goed afgelopen. Ik verkocht veevoeders van Delfia, een bekend merk uit Delft.

Harm Dijkman hielp mij elke zaterdagmorgen met het wegbrengen van meel naar de boeren. Dit gebeurde met paard en wagen. Ook moest het koren opgehaald worden bij de boeren, waar de zakken op de hilde stonden. Ik moest ze naar de verdieping brengen waar de maalstenen waren. Het hijsen en zakken gebeurde met een lier. Een zak haver (1 mud) woog 50 kg, een zak rogge 70 kg en een zak tarwe was het zwaarst 75 kg. Het was zwaar werk en het vergde veel van mijn rug.

Boesjes, de gemeentesecretaris van Diever, woonde in de Brinkstraat en was zoon van een molenaar uit Nieuweroord. Hij had veel belangstelling voor de molen. Na een jaar opperde hij het idee om de molen helemaal te restaureren. Ik voelde daar wel voor maar ja, dat kostte veel geld. De verdiensten waren niet geweldig, malen voor de boeren loonde niet erg. Je kreeg 1,25 cent per geleverde kilo. Het werd zwaar onderhandelen voor subsidie. De Gemeente en de Provincie konden niet veel bijdragen. Ook het rijk voelde er niet veel voor. We kregen contact met de Stichting “De Hollandse Molen”.

Deze stichting vond het zeer de moeite waard en ging het ministerie bewerken. Uiteindelijk kwam er toestemming. Er werd contact gelegd met een molenbouwer uit Coevorden, hij heette Huberts. Deze was geen timmerman dus is het timmerwerk uitgevoerd door Hendrikus Daalman uit Wapse. De restauratie duurde ongeveer een half jaar en was gereed in juli 1956. Ongeveer 6 weken voor de opening sloeg de bliksem in de molen. Gelukkig zat de bliksemafleider er al op, maar er was veel vuur. Daalman was op het moment van de blikseminslag spijkers aan het uitzoeken voor het luik. Hij kreeg een flinke tik mee en zijn zwarte sokken waren van onderen helemaal bruin gebrand. Ook had hij brandblaren aan zijn voeten. Op de opening kon hij nog geen schoenen aan!

De opening was een groot feest. Je moet niet vergeten dat het in die tijd niet zo vaak voorkwam dat molens werden gerestaureerd. De dieselmotor was er uit en we moesten op de wind malen. Dit had ik nog nooit gedaan. Hilbert Kleene heeft mij verteld hoe ik dat moest doen. Oppassen voor het op hol slaan, want anders vloog hij in brand! Ik vond het interessant werk, maar heel erg zwaar. In 1974 ben ik op advies van de dokter gestopt. De molen stond vaak stil en de vraag naar meel werd steeds minder. De ‘zaak’ is overgenomen door de gebroeders Booy uit Frederiksoord. De molen is in1979 verkocht aan de gemeente. Het huis is apart verkocht.”


Arend Uiterwijkwinkel

1956. Toen Uiterwijk Winkel nog molenaar was
1956. Toen Uiterwijk Winkel nog molenaar was